Over het diploma

De KNSB werkt al meerdere jaren met een aantal proeven voor het diplomaschaatsen te weten, de slalomproef, de start – en remproef en de langebaan proef. In de huidige proeven staan met de name de snelheid centraal en is er weinig aandacht voor de eigenvaardigheid.
Op verzoek van een aantal verenigingen en jeugdschaatscommissies  is  in samenwerking met vertegenwoordigers vanuit het jeugdschaatsen een aantal nieuwe vaardigheidstesten, die aansluiten bij het KNSB talentherkenning- en ontwikkelingsprogramma, ontwikkeld.

 

In deze handleiding staan de 32 vaardigheidstesten beschreven die zijn onderverdeeld in 6 niveaus. De thema’s die op de verschillende niveaus iedere keer terugkomen zijn:

·         Balans & stabiliteit

·         Houding

·         Starten & remmen

·         Afzet

·         Bocht

 

 

De 32 testen kunnen in een volgorde van niveau 2 t/m 7 worden afgelegd, maar het is ook mogelijk om de testen in een ander volgorde dan de niveaus af te leggen. Het is bijvoorbeeld ook mogelijk om eerst de verschillende testen balans en stabiliteit af te leggen. Van iedere test is een video fragment gemaakt.  De videofragmenten en omschrijving met aandachtspunten van de testen zijn te downloaden via de website www.KNSB.nl en via de site van de KPN Junior Schaatsclub http://schaatsen.nl/kpnjuniorschaatsclub.

 

Begrippenlijst Schaatsen

 

1.       Apenhouding: Kniehoek circa 135 graden, romp naar voren hellend.

2.       Schaatshouding: Houding waarbij de enkelhoek ongeveer 60 graden is, de kniehoek tussen de 90-120 graden en de heuphoek ongeveer 45 graden (tussen romp en bovenbeen). De rug is bol.

3.       Eieren leggen: Met twee benen tegelijk spreiden en sluiten om pylonen.

4.       Starthouding: De houding die aangenomen wordt bij het wegstarten. Afhankelijk van de voorkeur van de rijder staat het linker- of rechterbeen voor. De hoek tussen beide schaatsen is tussen de 80 en 90 graden. De hoek tussen schaatsen en startlijn is ongeveer 40 graden. Er is ongeveer 10 cm tussenruimte tussen beide achterkanten van de schaatsen. Meer dan de helft van het lichaamsgewicht staat op de voorste schaats. Na het inzakken maakt de achterste knie een hoek van ongeveer 130 graden. De heuphoek is ongeveer 60 graden. De romp moet de houding aannemen waarin weggereden kan worden.

5.       Parallelrem: Manier van stoppen waarbij beide schaatsen parallel van elkaar haaks op de rijrichting geplaatst worden.

6.       Olifantenoren (contactslag): Manier van verplaatsen waarbij de schaats/skate tijdens de gehele slag contact houdt met het ijs.  De andere schaats glijdt rechtdoor. Het gewicht is steeds boven het been wat rechtdoor glijdt.

7.       Lange stand schaatsen: Een glijmoment in schaatshouding waarbij beide schaatsen in het verlengde van elkaar glijden met het gewicht op het achterste been.

8.       V-Rem: manier van remmen waarbij beide schaatsen met hun punten een omgekeerde V vormen.